Lees meer over de ontstaansgeschiedenis van het Fort bij Vijfhuizen als onderdeel van de Stelling van Amsterdam, een verdedigingslinie uit eind het einde van de 19e eeuw rond de hoofdstad met als kenmerk dat het gebied buiten de stelling voor de vijand ontoegankelijk werd gemaakt door het onder water te zetten. Met een laag water van zo’n 40 cm was varen niet mogelijk en ook man en paard hadden hierin weinig kans. Op plekken waar doorbraak mogelijk was (dijken, vaarten) bouwde men forten: één ervan is het Fort bij Vijfhuizen.
Tip: Lees onderaan ook over de historie van de Stelling van Amsterdam!
(Inundatie werd al eeuwenlang toegepast, bijvoorbeeld al bij de Hollandse Waterlinie waarvan de eerste aanleg plaatsvond in de 17e eeuw.)
We beperken ons hier tot de geschiedenis van het fort bij Vijfhuizen. Na het vaststellen van het tracé van de stelling was onteigening en aankoop van de benodigde grond een eerste stap. De oudste stukken daarover dateren van de zomer van 1885. Op 5 juni van dat jaar vroeg de Genie bij het kadaster Haarlem het kadastrale plan aan van de grond waarop men het fort zou willen bouwen. Er was kennelijk haast bij want 2 weken later was er al een kaart met daarop ingetekend de omtrek van het forteiland met bijbehorende grachten. Nu kon worden vastgesteld welke grond onteigend moest worden.
Gezien de plattegrond leek het ontwerp sterk op het eerder gebouwde fort bij Abcoude. Vanwege o.a. de spoorlijn Utrecht-Amsterdam was de hoofdstad kwetsbaar en werd het fort bij Abcoude met voorrang gebouwd. Het zou als voorbeeld moeten dienen voor de reeks forten van de stelling maar het ontwerp bleek niet bestand tegen de combinatie van zwaarder geschut met brisantgranaat. De bastionvorm, gebaseerd op de forten uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie, had een hoge trefkans en het zware metselwerk samen met het gebruikte brikkenbeton was te zwak.
De bouw van de fortenreeks werd stil gelegd en ingenieurs van de Genie gingen aan het werk om een nieuw ontwerp te maken dat beter verdedigbaar zou moeten zijn en bestand tegen de nieuw ontwikkelde wapens en munitie.
Men besloot toch te beginnen met de zandophogingen als ondergrond voor de te bouwen forten. Een eerste ontwerp voor Vijfhuizen is van 27 november 1888. Hierin is de uiteindelijke vorm van het fort al wel te herkennen. In 1889 volgt de aanbesteding en wordt de ophoging uitgevoerd. Het zand wat men daarbij gebruikte kwam vrij bij de aanleg van de sluizen bij IJmuiden.
(Het betrof de 1e uitbreiding van de sluis. De Kleine- en Zuidersluis waren in 1872 gereed maar diende voorlopig alleen als uitwatering van IJ-water en voor het schutten van baggermaterieel. In 1876 was de officiële opening door koning Willem III. Met de aanname van de Vestingwet kwam men overeen dat ook het Noordzeekanaal met de zeesluizen beschermd moesten worden. Dit gebeurde door de bouw van fort (1880 – 1887) aan de monding van het kanaal. Het Noordzeekanaal was, samen met de zijkanalen belangrijk om over grote hoeveelheden inundatiewater te kunnen beschikken en via het kanaal zouden bevriende mogendheden het belegerde Amsterdam te hulp kunnen schieten. In 1887 bleek de sluis al te klein en bouwde men de grotere middensluis. Vooraf werd aan particulieren toestemming gegeven kosteloos zand weg te halen op de plek waar de sluis zou worden gebouwd. Na een jaar namen aannemers dit over. We mogen er vanuit gaan dat dit zand per schip naar Vijfhuizen is vervoerd.)
Pas in het voorjaar 1893 was er, met de aanbesteding van een verdedigbaar aardwerk, weer enige activiteit te bespeuren. Kaart en bestektekening dateren van mei 1894 waarmee uitvoering werd gegeven aan het zogenaamd “Klein Plan” wat in 1892 door de minister van Oorlog was vastgesteld. Hij had daarvoor twee redenen:
- Men kon het binnen de politiek niet eens worden over de financiering van de stelling.
- De ingenieurs van de Genie hadden nog geen definitief ontwerp voor de bomvrije gebouwen.
- Vanwege de weinig stabiele internationale verhoudingen in die tijd was het van belang toch enige vorm van verdediging te hebben.
Tegelijk met het aanleggen van de verdedigbare aardwerken waren ook de werkzaamheden die verband hielden met de inundatie van de Haarlemmermeerpolder in volle gang. De Geniedijk die het noordelijk deel van de polder droog moest houden, werd in 1894 voltooid. Hij kreeg dezelfde hoogte als de ringdijk rond de polder. De dijk functioneerde daardoor niet alleen als keerkade voor het inundatiewater aan de zuidkant maar hij gaf ook dekking aan het (militaire) verkeer op de weg die aan de noordkant van de dijk was aangelegd.
In Vijfhuizen werd eind 1894 de onderbouw van de Genieloods aanbesteed, voorjaar 1897 gevolgd door de aanbesteding van de bomvrije gebouwen in twee fasen:
- Het graven van funderingsputten op de plaats van de eerder opgeworpen zandophoging en het aanpassen van het bestaand aardwerk aan de gewijzigde nieuwe plannen.
- Vervolgens het bouwen van de bomvrije gebouwen en het aan de frontzijde van een zodanige zanddekking en beplanting voorzien zodat het geheel er niet onmiddellijk als een fort uit zou zien.
(De zuidwest flank van de stelling werd als een zwakke schakel beschouwd. De brede strook droogblijvende grond aan de westkant van de Haarlemmermeer en de lastig te inunderen duinstrook [Haarlem, Beverwijk etc.] bood een eventuele aanvaller de mogelijkheid zonder al te veel problemen door te stoten richting Amsterdam. Niet vreemd dus dat daar de eerste forten werden gebouwd. Het besluit om de bouw daadwerkelijk te hervatten werd echter pas begin 1897 in de Kamer genomen.)
Kort na de aanvang van de bouw werd het ontwerp op een belangrijk onderdeel gewijzigd. Men was het niet eens over de plaats van het geschut dat het droogblijvende deel tussen de Spieringweg en de Ringvaart moest verdedigen. (De positie van het flankerend geschut in de twee keelkazematten stond niet ter discussie.)
In eerste instantie zouden de onderstellen voor het geschut worden geplaatst in de vleugeluiteinden. Op de tekening staan de betonnen gebouwtjes los van het hoofdgebouw. Dit om geen last te hebben van de zware trillingen als met de kanonnen zou worden geschoten.
In het najaar van 1897 moet zijn besloten tot het bouwen van twee geheel vrijstaande ronde betonnen geschutskoepel gebouwen verzonken in de frontwal.
In de vleugeluiteinden komen nu 3 kleinere kamers voor soldaten die alsnog worden verbonden met het hoofdgebouw door een dikke betonnen daklaag, rustend op ijzer spoorstaven en een betonnen achterwand. De zo ontstane portalen blijven aan de voorzijde open.
Na het gereedkomen van de bomvrije gebouwen krijgt het fort zijn camouflerende en karakteristieke zanddekking en wordt de rest van het aardwerk aangelegd.
Een ander aandachtspunt was de verdediging van het fort en zijn omgeving. Vooral het brede stuk grond wat bij inundatie niet onder water kwam te staan baarde de ingenieurs van de Genie zorgen. Een eerste maatregel was een dubbele gracht aan de frontzijde als extra hindernis. Dat vond men echter nog te weinig. Een gracht met aardwerken dwars door het droogblijvende deel even ten zuiden van het fort heeft wel als plan bestaan maar is nooit uitgevoerd. Wel werd na lang puzzelen over plaats en omvang kort na 1900 aan de oostkant van het fort in de Geniedijk betonnen nevenbatterijen gebouwd. Bij een dreigende oorlogssituatie konden daar kanonnen opgesteld worden. Deze werden vanuit de opslag in de Genieloods via de nog zichtbare oprit de dijk opgereden naar hun plaats in de batterij.
(De afronding van de bouw wordt in 1899 bezegeld met 4 fraaie in kleur uitgevoerde kaarten. Op kaart 1 staan de aardwerken op het forteiland en die in de directe omgeving van het fort ingetekend. De kaarten 2 en 3 laten de plattegronden zien van de bomvrije gebouwen en een aantal doorsneden. Hierop is tevens aangeven het gebruikte bouwmateriaal, de fundering en de waterleidingen met de afwateringsvlakken. Kaart 4 laat nog een aantal bijzondere details van het fort zien.)
Het fort bij Vijfhuizen was de eerste in een reeks forten volgens het model A zoals die tot 1906 werden gebouwd. Bij de bouw moesten een aantal bouwtechnische zaken proefondervindelijk worden vastgesteld. Behalve het zoeken naar een goede plek voor het (hef)koepelgeschut werd onderzoek gedaan naar het draagvermogen van de grond in de funderingsputten van de zandophogingen. Het betrof de forten bij Vijfhuizen, Velsen, Sint Aagtendijk en Veldhuis. De militaire ingenieurs gingen er vanuit dat het zand voldoende draagkracht zou hebben. Nog tijdens de bouw in Vijfhuizen bleek hun ongelijk, en vertoonde de keelkazematten met daarin het flankerend geschut, tekenen van verzakking. Daarom besloot men de volgende forten te onderheien en werden de waterkelders, die in Vijfhuizen onder de zanddekking van het hoofdgebouw liggen, direct onder het hoofdgebouw aangelegd.
Een ander miskleun was de ophanging van de kleinere stalen deuren die vanaf de keelzijde van het fort toegang gaven tot o.a. manschappenverblijven. De ophanging aan de houten sponning bleek niet berekend op het gewicht van de deuren die vanwege scheefhangen moeilijk meer konden sluiten. Bij andere forten zijn ook deze kleinere deuren opgehangen in natuurstenen neuten die in het beton werden opgenomen.
(Politiek gesteggel over de financiering leidde na het gereedkomen van de eerste 14 forten van het model A tot een bouwstop. Deze periode werd door militaire ingenieurs gebruikt om het oorspronkelijke ontwerp aan te passen aan de veranderde militaire inzichten. Zo werd de veiligheid verbeterd door de betonnen geschutskoepel gebouwtjes vanuit het fort bereikbaar te maken via bomvrije gangen. Ook werd meer en meer gebruik gemaakt van mitrailleurposten zodat met een kleinere bezetting en compact fort kon worden volstaan.)
Op basis van ervaringen uit de 1e wereldoorlog wordt in 1918 de verdediging van de hoger gelegen gronden ten zuiden van het fort verder versterkt. Het betreft de bouw van een vooruitgeschoven post van het fort bestaande uit 20 scherfvrije onderkomens van versterkt beton samen met 6 opstelplaatsen voor mitrailleurs en 2 geschutsopstelplaatsen. Deze post is ook bedoeld voor het opnemen van zich terugtrekkende troepen. Restanten zijn nog duidelijk te zien op het terrein van de golfclub.
Nog meer zuidwaarts bevind zich de voorpositie bij Cruquius. Aanvankelijk alleen aardwerken en vermoedelijk ook het fundament voor een bomvrij torenfort en als zelfstandig verdedigingswerk behorende tot de Posten van Krayenhoff.
(Het zou het vierde torenfort zijn wat na de droogmaking van de Haarlemmermeer is gebouwd. Het Fort bij Heemstede is nooit gebouwd omdat vanwege problemen met de fundering de begrote kosten teveel zouden worden overschreden. De andere forten die circa 1843 tot 1846 aan de noordrand van de polder zijn gebouwd zijn het Fort aan de Liede, Fort aan het Schiphol en Fort aan Het Nieuwe Meer.)
Het was in 1880 al toegevoegd aan de Stelling en is en 1918 ingericht met 8 scherfvrije onderkomens vooral bedoeld voor het opnemen van zich terugtrekkende troepen in het acces Vijfhuizen. Het geheel is in 2012 opgeknapt en ingericht als parkje met de niet toegankelijke onderkomens als blikvanger.
(Zowel bij de Voorstelling bij Vijfhuizen als de Voorpositie bij Cruquius zijn de onderkomens en opstelplaatsen voor mitrailleurs en geschut uitgevoerd in gewapend beton. Zij behoren tot de vroegste militaire kunstwerken die met deze techniek zijn gebouwd.)
(Bronnen: Artikel Het Fort bij Vijfhuizen Frank Denys en Reinout Rutte, Website Stelling van Amsterdam, Wikipedia, etc.)
Historie van de Stelling van Amsterdam
De geschiedenis van de stelling begint in de tachtigjarige oorlog. De Oranjes hadden onvoldoende geld en manschappen om zich de vijand van het lijf te kunnen houden. Prins Maurits kwam op het idee om de frontlijn korter te maken door grote delen land onder water te zetten. De vijand kon dan alleen over hoger gelegen grond proberen binnen te dringen en zo was het mogelijk om met een aanzienlijk kleiner leger het land succesvol te verdedigen.
In 1629 stuitten oprukkende Spaanse troepen op deze waterlinie die mede bedoeld was als bescherming van de rijke koopmansstad Amsterdam. Bovendien werden ook landerijen rond de hoofdstad onder water gezet, dit tot grote woede van de boeren. Samen met batterijen op de hoger gelegen delen (opgeworpen aarden wallen waarachter geschut stond opgesteld) bleek dit een goedkoop en effectief afweermiddel. De vijand was in het open veld met weinig tot geen bescherming bijzonder kwetsbaar.
Ondertussen was Maurits (overleden in 1625) opgevolgd door zijn halfbroer Frederik-Hendrik die bekend zou worden als de “stedendwinger”. Hij hanteerde een nieuwe strategie door buffers buiten de waterlinies van IJssel, Maas en Schelde te veroveren. Zo pakte hij o.a. Den Bosch en Maastricht terug op de Spanjaarden en met hulp van Frankrijk werden ook Breda, Sas van Gent en Hulst heroverd. Hoog oplopende schulden bracht de kemphanen aan tafel en zo maakte de Vrede van Munster (1648) niet alleen een eind aan de 80-jarige oorlog maar zorgde ook voor de erkenning van de Republiek der Verenigde Nederlanden.
Pas veel later in 1805 toen er oorlog dreigde tussen Frankrijk en Pruisen, ontwierp Krayenhoff een kringstelling rond Amsterdam. Deze verdedigingslinie, bekend als de posten van Krayenhoff, werd de voorloper van de Stelling van Amsterdam. De aanleg ging niet zonder slag of stoot. Met de val van het Pruisische Rijk verdween de noodzaak en werd het werk stilgelegd. Ondertussen was Lodewijk Napoleon koning geworden van Holland en hij besloot de linie rond Amsterdam te voltooien. Broer Napoleon Bonaparte was hier niet van gediend, riep zijn broer terug naar Frankrijk en lijfde Holland in bij het Franse keizerrijk. Later, in 1811, bezocht Napoleon samen met Krayenhoff de stelling en was zeer onder de indruk. De omgeving van Amsterdam was destijds nog zeer waterrijk en het inunderen werd nu meer systematisch aangepakt met op strategische punten versterkte aarden wallen waar het geschut kon worden opgesteld.
Met de val van Napoleon werd Nederland weer een vrij land en vormde het samen met België het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De naar Engeland uitgeweken prins van Oranje kwam na 18 jaar ballingschap terug en werd ingehuldigd als koning Willem I. Zijn autoritair bewind oogstte steeds meer kritiek en vooral het zuidelijk deel voelde zich achtergesteld. De Belgen kwamen in opstand en vormden, gesteund door Frankrijk, een eigen staat. Willem wilde geen nieuwe oorlog met de Fransen, accepteerde de afscheiding en trad in 1840 teleurgesteld af.
Willem II volgde hem op en in lijn met de politieke ontwikkelingen in Europa gaf hij Thorbecke opdracht de grondwet aan te passen. Hier begon de ontwikkeling van de parlementaire democratie.
Omringd door Europese grootmachten beheerste Nederland de mondingen van belangrijke rivieren en een stuk Noordzeekust. Voldoende reden om politiek afzijdig te blijven en zich militair neutraal op te stellen.
Willem II had bij de vormgeving van die neutrale militaire verdediging een belangrijke inbreng. Hij concentreerde zich op het versterken van de Hollandse Waterlinie als steunpunt van het mobiele leger en de Grebbelinie als voorpost. Overbodig geworden vestingen werden gesloopt en provincies buiten linies zouden worden verdedigd door het mobiele leger.
Amsterdam gold toen al als laatste wijkplaats maar bestaande verdedigingswerken waren nauwelijks onderhouden. In tegenstelling tot de Hollandse Waterlinie, waar vanaf 1840 forten werden verbeterd en nieuwe gebouwd, bleef men voor Amsterdam steken in plannenmakerij. Tegenstanders zagen meer in een sterk en mobiel inzetbaar leger. Men bleef het lang oneens en beslissingen werden niet genomen.
Ondertussen veranderde de situatie rond de hoofdstad. Met de drooglegging van de Haarlemmermeer en inpoldering van het IJ verdween veel water en ook de aanleg van Noordzeekanaal sloeg een flinke bres in de verdediging. Ter compensatie bouwde men tussen 1842 en 1846 aan de rand van de Haarlemmermeerpolder een aantal torenforten. Fort bij Schiphol, Fort aan de Nieuwe Meer en Fort aan de Liede werden voltooid maar door fundatieproblemen waren de kosten veel hoger dan begroot. Het Fort bij Heemstede kwam waarschijnlijk om die reden niet verder dan de fundering. De bakstenen forten bleken uiteindelijk niet bestand tegen de zwaarder wordende munitie en zijn uiteindelijk geheel of gedeeltelijk gesloopt.
Zoals opgemerkt ontwikkelde de wapenindustrie zich snel. Geschut met een getrokken loop schoot verder en nauwkeuriger en bewees in de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) samen met verbeterde munitie zijn vernietigende werking. Franse vestingen en forten bleken niet bestand tegen de artillerie van de Pruisen en de wijze waarop zij gebruik maakte van de spoorwegen om een goed geoefend, dienstplichtig leger snel te verplaatsen. Een goede les voor Nederland gezien de verouderde forten, vestingen en het gebrek aan materieel.
Na veel politiek gesteggel leidde dit in 1874 tot de Vestingwet waarmee de verdediging van Nederland wettelijk werd vastgesteld. Het was een geconcentreerd verdedigingsstelsel met de Stelling van Amsterdam, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Grebbelinie en een aantal forten buiten genoemde linies.
Het zou nog jaren duren voordat men overeenstemming bereikte over het definitieve tracé en de uitvoering van de stelling. December 1880 werd het ontwerp aangenomen, aanvankelijk nog zonder het Fort Pampus wat te duur en niet noodzakelijk werd geacht. Jaren later ging de politiek hier alsnog overstag.
Bij de Genie bleef men discussiëren over de uitvoering en dat vertraagde de bouw. Wel begon men met het Fort IJmuiden aan de monding van het Noordzeekanaal. (Gereed 1886) Vervolgens werd ook het Fort bij Abcoude gebouwd, dit vanwege zijn ligging aan de belangrijke spoorlijn Utrecht-Amsterdam.
De vernietigende werking van de brisantgranaat zette alles op losse schroeven. De bakstenen forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie waren in één klap verouderd evenals het fortontwerp voor de Stelling.
Opnieuw discussie dus en in afwachting van nieuwe plannen werden de zandhopen die op de plaats van de forten waren opgeworpen omgewerkt tot verdedigbare aardwerken. Wel werd begonnen met de aanleg van het inundatiestelsel en het verplaatsen van militaire depots en magazijnen naar binnen de Stelling.
In 1897 besluit de kamer tot de bouw van de bomvrije forten zoals wij die nu kennen. Een belangrijk deel bleef tegen, zij zagen nog steeds meer in een sterk veldleger wat de grenzen zou kunnen verdedigen.
Tot 1890 hield men vooral rekening met conflicten tussen Frankrijk en Duitsland waarbij ons grondgebied geschonden zou kunnen worden. Maar andere landen bewapenden zich beter en door het afsluiten van bondgenootschappen kwamen de Duitsers steeds meer alleen te staan en groeide de spanning.
In Nederland werd het hof van arbitrage gevestigd en een aantal vredesconferenties gehouden. Met het openen van het Vredespaleis (1913) werd de bijzondere positie van Nederland als neutraal land tussen de Europese grootmachten duidelijk. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en ook tijdens het verloop van de oorlog werd deze neutraliteit opnieuw verklaard en benadrukt.
De mobilisatie van augustus 1914 was de militaire invulling van die neutraliteitspolitiek. Troepen bewaakten de grenzen en ook de Stelling werd in staat van paraatheid gebracht. De spanning richting Nederland nam na een tijdje af maar de oorlog duurde voort. De legerleiding hield de gevechtskracht op peil en versterkte zwakke plekken in de Stelling met extra bomvrije schuilplaatsen en geschutsopstellingen van beton.
In de Eerste Wereldoorlog waren de zware verdedigingswerken rond Luik en Antwerpen niet bestand gebleken tegen de artillerie van de Duitsers. De conclusie was dan ook dat forten in de Stelling kwetsbaar waren, reden om de laatste forten niet meer af te maken. Ook was er een voorzichtige eerste inzet van vliegtuigen bij het voeren van oorlog. Hiermee kon het concept van de Stelling van Amsterdam als nationale reduit in feite de prullenmand in.
(Bronnen: Stelling van Amsterdam, Harnas voor de hoofdstad en diverse publicaties van o.a. de provincie Noord-Holland en het Rijksmuseum Amsterdam, etc.)